Visserslatijn


Het zijn plotseling allemaal paartjes, die beesten. De eenden, ganzen, meerkoetjes, kool- en pimpelmezen, kraaien en winterkoninkjes, allemaal twee aan twee. Hoe flikt dat gevogelte hem dat nou toch ieder jaar? Ik vind dat ik er een beetje mal uitzie, zo joggend in mijn eentje en ga maar even in het gras zitten om het spektakel te bekijken.
Ah! Er zwemmen toch ook een paar vrijgezellen rond, zo te zien. Die zijn drukdoende met pogingen om een dame weg te kapen waarbij ze af en toe flink worden toegetakeld door de verloofde. Twee witte eenden jagen luid kwakend samen achter een zwarte eend aan. Ze pikken hard naar hem en duwen hem onder water.
Kijk! De kokmeeuwen doen niet aan paarvorming, die staan gewoon in een groep wat dom te koekeloeren, sommige nog in winterkleed. Soms vliegen ze op en produceren rauwe, raspende tonen.

Ik ren het heuveltje op langs de Ginkgo en dan sta ik op het hoogste punt van Groningen: 14 meter boven N.A.P., de Groningse Olympus. Ik kijk om me heen en ben tevreden. Alles begint weer te groeien en de Gele Kornoelje staat al in volle bloei. Toch weer gered dit jaar, maar het was op het nippertje. Mensen, vooruit, naar buiten! Dit is het mooiste jaargetij!

In de visjeswinkel heeft Frits Kuiper Senior als altijd een goed humeur.
‘Ah, mevrouw, u bent weer sportief geweest?’
Hij komt naast me staan als ik bewonderend voor een bak blijf staan.
‘Dat is een harnasmeerval, mevrouw, met heel bijzondere kleuren.’
‘Ja, prachtig is ie’, beaam ik, ‘jammer alleen dat ze zo groot worden.
’ ‘Deze wordt maar 15 cm, mevrouw, dat valt dus wel mee.’
‘15 cm? Dat is zó
|---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------|
groot’ terwijl ik met duim en wijsvinger de lengte aangeef.
‘Nee, bent u gek, mevrouw, dat is zó
|------------------------------------------------------------------------------|
groot’, eveneens met duim en wijsvinger.
‘Ja he, wie is hier gek. Komop, heeft u een meetlat hier?’
Getweeën lopen naar de toonbank waar Frits Senior een centimeter tevoorschijn haalt:
|--------------------------------------------------------------------------------------------------|
‘Ziet u wel mevrouw, dat zei ik u toch?’
‘Nee, dat zei u niet. U deed:
|---------------------------------------------------------------|’
‘Nee, nee, dat deed ik niet. Ik deed:
|------------------------------------------------------------------------------|’
‘Nu doet u het trouwens, weer. Dat is geen 15 centimeter wat u aangeeft.
Ik pak de centimeter uit zijn hand en leg hem ertegenaan. Frits doet erg zijn best om zijn vingers stiekem wat verder te spreiden.

‘U sjoemelt en speelt vals. Maar wat ik maar wou zeggen dus: een vis van 15 cm kan niet in een bak van 100x50. Dat is maar dit (gebarend met de armen):

‘Nee hoor, mevrouw, dat is wel:




‘Ik geef het op met u.’ Ik moet grinniken. ‘Doet u me gewoon maar voor een gulden rode muggenlarven. Daarvan weet ik tenminste zeker dat ze er in passen en bovendien hebben ze niet zo’n hoge levensverwachting, dus ik ben ze ook weer snel kwijt.’

Thuisgekomen laat ik de griezeltjes meteen los. De Afrikaanse Klauwkikker, Xenopa Laevis, ruikt dat er iets gaande is en begint blind en in het wilde weg alvast maar als een gek door de bak te racen, onderwijl links en rechts met haar bleke lijkenpootjes om haar heen graaiend. Uiteindelijk belandt ze bovenop een klont wriemelende muggenlarfjes die ze als een bezetene in haar bek begint te proppen.

Oh ja, ik heb steeds beweerd dat die kikker wel 15 cm groot is. Ik maak er 12,5 centimeter van.